Natuurgebieden

Langs de Schelde liggen er heel wat natuurgebieden.

 De Antwerpse en de Waaslandhaven zijn belangrijk voor de Vlaamse economie. Voor de verschillende uitbreidingen moest veel waardevolle natuur wijken, maar diverse compensatiegebieden doen de natuur van weleer herleven.

 In het kader van het Parkproject Linkeroever werd het natuurgebied Middenvijver heringericht met een grote waterplas, twee eilandjes en meerdere waterlopen. Een grote ecologische winst voor het gebied.

 Deze honderd hectare broedvlakte in Zwijndrecht ontstond als compensatie voor het verlies aan vogels die op het strand of in groep broeden, met de uitbreiding van de haven als oorzaak. De ligging van de vlakte naast de Schelde en het Groot Rietveld maakt ze erg aantrekkelijk als voedsel- en broedgebied voor heel wat vogelsoorten. De natuur wordt er stelselmatig aangepast aan de noden van de broedende vogels.

Een sluis in de Scheldedijk laat een beperkte hoeveelheid brak water toe in de Doelpolder Noord, waardoor een lichtzoute getijdenkreek van 36 hectare ontstaat. Talloze weidevogels zoals de grutto, de zomertaling en de tureluur vinden hier een geschikt broedgebied. In de winter kan je steltlopers, eenden en ganzen zien neerstrijken om voedsel te zoeken. Vanaf de dijk heb je een goed zicht op dit schorrengebied.

De Drijdijck is aangeduid als natuurcompensatie voor de natuurwaarden die bij de aanleg van het Deurganckdok verloren gingen. In de winter staat dit gebied van 43 hectare voor meer dan de helft onder water, waardoor water- en moerasvogels zoals de slobeend, de krakeend en de smient er graag verpozen. Tijdens de zomer ontstaat een plas-drasgebied dat vooral weidevogels aantrekt. De ruigere hoeken en kanten verbergen de broedende roodborsttapuit.

Het Galgenschoor en het Groot Buitenschoor liggen ten noorden van Antwerpen, aan de rechteroever van de Schelde, vlak bij de Belgisch-Nederlandse grens. Samen met Schor Ouden Doel en het Verdronken Land van Saeftinghe vormen ze een laatste restant van een vroeger zeer uitgebreid slikken- en schorrencomplex in de Beneden-Zeeschelde en de Westerschelde, dat in het begin van onze jaartelling bijna heel Zeeland omvatte. Door het in- en uitstromende water heerst er een grote dynamiek die alleen aangepaste dieren en planten aankunnen.

Naar Vlaamse normen heeft het Groot Rietveld een ongezien formaat. In het dichte riet schuilen bedreigde moerasvogels zoals de blauwborst, de bruine kiekendief, de roerdomp en het baardmannetje. Die hebben daar het gezelschap van zangvogels zoals de kleine karekiet en de rietzanger. De konikpaarden leven vooral op de droge opgespoten delen van het gebied. Hun graaswerk houdt het groene mostapijt van deze zandige terreinen in stand. 

De natuurontwikkeling in het Groot Rietveld geldt als een blijvende compensatie voor de natuurwaarden die verloren gingen bij de grote infrastructuurwerken in de jaren tachtig en negentig in en rond de haven. Ze dient ook als buffer tussen Kallo en de haven, om de leefbaarheid van het polderdorp te garanderen.

Vroeger hoorde de getijden-Geule bij het Verdronken Land van Saeftinghe. Vandaag omringen rietkragen, moeras en veen de oude kreek. De aangrenzende vlaktes vormen een mooie thuis voor moerasvogels en steltlopers.

Als buffer tussen de Waaslandhaven en de woongebieden naast de expresweg is dit natuurgebied een toonbeeld van rust. Galloways en konikpaarden grazen het hele jaar door in de gevarieerde natuur van bloemrijke graslanden, open vlaktes, ruigtes, struwelen en bos. Ook vogels vertoeven hier graag. Het gebied is niet toegankelijk voor het publiek.

Het project in Hamme Lippenbroek werd ingericht met een gecontroleerd gereduceerd getij (GGG) en is uniek in Europa. Wie vroeger een getijdennatuurgebied wilde creëren, maakte een bres in de dijk waardoor het water bij het land kon. Dankzij het GGG-systeem hoeft dat niet meer. Het bootst de getijden na zonder het land terug te geven aan rivier of zee. 

In Hamme Lippenbroek imiteert een sluis in de rivierdijk de werking van eb en vloed in de polder. De sluis wordt zo afgesteld dat het binnendijkse gebied even vaak overstroomt als een natuurlijke oever naast de rivier. Bij laagwater stroomt er dus geen druppel water binnen. Tweemaal per dag, bij vloed, treedt het gebied in werking. Hoe hoger het natuurlijke getij, hoe meer water door de sluis zal vloeien. Telkens als het waterpeil in de Schelde daalt, stroomt het water er weer weg via de uitwateringssluis. Zo staat de polder afwisselend wel en niet onder water. Net als de planten op de oever van de rivier.

Dit laatste stuk natuur aan de zuidkant van het stadscentrum van Antwerpen zit geplet tussen de Schelde, de dichtbevolkte woonkernen van Hoboken en Antwerpen, en de industrie van Petroleum Zuid en de voormalige Boelwerf. 

De Hobokense Polder dankt zijn naam aan het vroegere poldergebied dat zich hier langs de oever van de Schelde uitstrekte: laaggelegen land dat geregeld overstroomde en door bescheiden boeren werd bewerkt. Sinds de ophogingen vanaf de jaren zestig is dat gebied definitief verdwenen. Er ontstond een landschap dat door de snelle evolutie van flora en fauna ook nu nog voortdurend verandert.

In het zuidelijk deel van de Westerschelde liggende Hooge Platen. Bij laagwater is dit een aaneengesloten en uitgestrekt gebied van 1800 hectare slik- en zandplaten. Bij vloed loopt het gebied grotendeels onder. Alleen de Bol, een hoge zandplaat in het westelijk deel van het gebied, blijft bij gemiddeld hoogwater droog.

Heel wat verschillende soorten vogels komen er broeden, zoals dwergsterns, visdiefjes, grote sterns, kokmeeuwen, strandplevieren, kluten en steltlopers. De kilometerslange slikplaten zijn ook een belangrijk voedselgebied voor vogels. In de slikbodem leven veel wormen, schelpdieren en kreeftachtigen. Sinds 1993 worden er ook weer jaarlijks zeehonden gesignaleerd op de zandplaat ten westen van de Bol.

Inlagen zijn gebieden tussen de zeedijk en de binnendijk. Inlaag 1887 ligt vlak bij de Westerschelde, bij Ellewoutsdijk. Deze strook laaggelegen grasland bestaat uit sloten, schorvegetaties en putten. De binnenste dijk werd in 1887 aangelegd met klei uit de inlaag, en diende als extra bescherming tegen dijkbreuken. Bij hoogwater is het gebied een toevluchtsoord voor steltlopers, in het voorjaar is het een uitstekend broedgebied.

Een dertig hectare groot gebied tussen de zeedijk en de weg naar de Westerscheldetunnel op Zuid-Beveland werd omgevormd tot Inlaag 2005. Dit natuurgebied moet dienen als compensatie voor de natuur die verloren ging bij de aanleg van de Westerscheldetunnel.

Inlaag 2005 bevat een zout, een brak en een zoet gedeelte. Er leven respectievelijk zoutminnende planten zoals zeekraal en zeeaster, minder ziltige planten zoals rode ogentroost en aardbeiklaver, en in de zoete zone kamgras en kattendoorn. Het bloemrijke grasland is ideaal voor weidevogels, op de kale grond broeden steltlopers zoals de kluut en de visdief 

In dit gebied van bijna duizend hectare, verborgen in een oude Scheldemeander in Wetteren wordt niet alleen indrukwekkende natuur gecreëerd, maar ook meer ruimte voor de Schelde. Een beperkt deel is ingericht als overstromingsgebied. Daardoor is de regio beter beschermd als een stormvloed het water doet stijgen. De rest van de Kalkense Meersen krijgt een invulling als wetland of getijdennatuur. Deze unieke natuur maakt het gebied erg aantrekkelijk voor wandelaars en fietsers.

Dit jonge getijdennatuurgebied van ongeveer 44 hectare bestaat vooral uit slikken die tweemaal per dag bij vloed overspoeld worden. Het is een pleisterplaats voor vogels zoals de kluut, de tureluur, de bruine kiekendief en de blauwborst. De ecologisch beheerde Scheldedijk huisvest ook bedreigde vlindersoorten zoals de koninginnenpage en het bruin blauwtje. Door het gefaseerde maaibeheer vinden de vlinders altijd frisgroene blaadjes om hun eitjes af te zetten. 

Door het Sigmaplan werd de Potpolder van Lillo ontpolderd, in de eerste plaats om de veiligheid in het Scheldegebied te verbeteren. Maar het instromende water zorgde ook voor de ontwikkeling van een bijzonder getijdennatuurgebied.

De werken startten in 2010 met de aanleg van een ringdijk, stevig en hoog genoeg om het achterliggende land ook bij extreme weersomstandigheden tegen het water te beschermen. De bestaande dijken werden doorstoken. Sindsdien stroomt het Scheldewater de polder in en uit. Er ontstonden slikken en schorren, en her en der ook kreekjes. Watervogels en andere zeldzame dieren en planten vonden snel de weg naar dit nieuwe natuurgebied

De Lisdodde en de Melkader zijn krekengebieden in Kallo (Beveren). De Melkader is een kreek die door de kracht van het getij tot diep in de schorren en polders doordrong. Vredig aan de zijde van de Melkader ligt de Lisdodde, een waardevol getijdennatuurgebied. Het gebied van tien hectare bestaat uit twee percelen weiland en een laaggelegen rietland. De biotopen van weilanden en het vochtig rietland met typische planten lokken verschillende soorten vogels, kleine zoogdieren en insecten, waaronder 17 soorten libellen. Daarnaast vormt het gebied een groene buffer tussen het dorp en de industrie.

Het Noordelijk Eiland is een natuurgebied van een vijftig hectare in de buurt van de zeesluizen van Wintam, tussen de Rupel en het Zeekanaal Brussel-Schelde. Het ligt in de zoete zone van het Schelde-estuarium. De natuur creëert er een verrassende biodiversiteit.

Enkele jaren geleden leek het Noordelijk Eiland nog op een maanlandschap omdat er enkel opgespoten baggerspecie uit de nieuw gegraven kanaalarm te vinden was. Vandaag is het een mooi natuurgebied met veel bloemen en planten. Ook water- en trekvogels voelen zich er helemaal thuis.

Het Paardenschor werd in het begin van de jaren tachtig met zand opgehoogd voor de bouw van de kerncentrale van Doel. Een deel van dit schor (14 hectare) werd in 2004 weer afgegraven tot zijn oorspronkelijk niveau. Het gebied komt nu opnieuw twee keer per dag onder water te staan.

In de modderige slikken krioelen miljoenen waterdiertjes. Die trekken heel wat watervogels aan. Af en toe krijgt het Paardenschor ook bezoek van de gewone zeehond. Op de schorren verschijnen planten die goed tegen het zoute water kunnen, zoals zeekraal, zeeaster en Engels slijkgras.

Het Paulinaschor vormt een restant van een omvangrijk schorrencomplex in het mondingsgebied van de voormalige zeearm de Braakman. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was dit schor in gebruik als weidegrond voor schapen.

Het gebied trekt veel vogels aan die in de slikken voedsel vinden. Het is ook rijk aan verschillende soorten planten. De begroeiing tussen de oeverwallen langs de geulen verschilt van die in de kommen.

Fort Rammekens dateert uit 1547 is daarmee het oudste nog bestaande zeefort in West-Europa. Rond het fort ligt het natuurgebied Rammekenshoek.  Eind 1944 stroomden door de oorlogskraters bijna een jaar lang enorme watermassa’s in en uit het gebied. Zo ontstonden diepe geulen die de huidige kreken vormen. Het fort zelf is begroeid met verschillende soorten muurplanten. Vogels leven in de grachten rondom en zitten verborgen in het riet.

Het Verdronken Land van Saeftinghe is een uitgestrekt natuurgebied aan de linkeroever in de Westerschelde, tegen de Belgische grens aan. Het brakke water (een mengeling van zoet en zout) en de getijden vormen er een uitzonderlijk slikken- en schorrengebied, het grootste brakwaterschor van West-Europa.

Het Verdronken Land van Saeftinghe heeft zijn naam niet gestolen. In de late middeleeuwen was het een streek van welvarende polders. Door stormvloeden gingen in de veertiende en de zestiende eeuw grote stukken land verloren. In de tachtigjarige oorlog werden ter verdediging van Antwerpen bovendien opzettelijk dijken doorgestoken, zodat het gebied “verdronk”. Vanaf de zeventiende eeuw werd er weer heel wat grond op de zee heroverd. In 1907 vond de laatste inpoldering plaats. Daarbij ontstond de Hertogin Hedwigepolder, die grenst aan het zuidoostelijke deel van Saeftinghe.

Saeftinghe is vandaag een land van slikken, platen, en schorren doorsneden met geulen. De drie hoofdgeulen lopen bij elke vloedbeweging vol. Ook de laaggelegen gebieden stromen bij elk getij onder. De hoger gelegen schorren staan pas onder water bij storm en springtij. Dat zorgt voor een unieke combinatie van planten: in totaal zo’n veertig verschillende soorten. Saeftinghe is ook een belangrijk broedgebied en een overwinterings- en rustplaats voor talloze vogels.

De Zwarte polder overstroomde in 1802 als gevolg van een dijkbreuk. In de afgelopen twee eeuwen heeft zich hier een zogenaamd sluftergebied ontwikkeld. Dat ontstaat wanneer zout water vanuit de zee bij vloed door een geul in de duinen het land binnen kan dringen. De akkers worden doorkliefd met geulen waar zeewater in- en uitstroomt, waardoor zich schorren vormen. De resterende stukken dijk in de Verdronken Zwarte polder verdwenen onder het zand. Daar liggen nu duinen. Op de plaats waar in het verleden de dijk brak, is er nog een opening in de duinenrij, waardoor de zee het gebied blijft binnendringen.

De Vlassenbroekse Polder (ongeveer driehonderd hectare) ligt in een van de meanders van de Schelde. In dit ingedijkt gebied bevindt zich het rustige kunstenaarsdorpje Vlassenbroek. Het Romaans-Gotische kerkje, de Scheldedijk, de kunstgalerijen en de terrasjes zijn geliefd bij heel wat wandelaars en fietsers.

Het landschap wordt gekenmerkt door buiten- en binnendijkse gebieden met kreken en sloten, weilanden, zoetwaterschorren en moerassen. Er leeft een grote verscheidenheid aan planten en dieren.

Hoewel ze door de mens gemaakt zijn en ook niet direct aan de Schelde liggen, verdienen de Vliedbergen in Zeeland toch een plaatsje in de rij van natuurgebieden aan de Schelde.

Vroeger was het voor mens en dier een hachelijke zaak om in Zeeland te leven. Stormvloeden vormden een permanente bedreiging. In de elfde eeuw begon men heuvels van één à twee meter hoog aan te leggen, om op te wonen. Die boden in ieder geval al wat bescherming tegen hoogwater. Sommige vliedbergen hadden ook een militaire functie. Er werden houten en later stenen verdedigingstorens op gebouwd. In de veertiende eeuw verloren die hun militaire betekenis. Enkele tientallen van deze oorspronkelijke heuvels bleven bewaard.

Deze oude getijdengeul was ooit een druk bevaren verbindingsroute tussen de Honte (Schelde) en het Veerse Diep. Na inpoldering bleef er nog maar weinig over van de dynamische zeearm. Nu zijn riet- en graslanden langs deze langgerekte kreek de thuis van heel wat vogelsoorten.

De laatste jaren wordt er hard gewerkt aan het natuurherstel en de herinrichting van het gebied. Daardoor is het nu toegankelijk voor het publiek.

Ook de uitbreiding van het Zwin komt de natuur in het Schelde-estuarium ten goede. Het Zwin is een beschermd natuurgebied op de grens van Vlaanderen en Nederland, in de gemeenten Knokke-Heist en Sluis. Het ligt ingesloten tussen de duinen en een hoge dijk, en staat via een geul in verbinding met de Noordzee. Tweemaal per dag, bij hoogtij, stroomt een grote hoeveelheid zeewater een deel van het gebied binnen. Dat zoute water zorgt voor een unieke biotoop. Het maakt van het Zwin een erg gevarieerd natuurpark met een bijzondere planten- en dierenrijkdom, enig in Europa.

De geul die het natuurpark met de Noordzee verbindt, dreigt dicht te slibben. Dat zou leiden tot de verzanding van het Zwin en dus tot een groot verlies van waardevolle natuur. Grootschalige ingrepen moeten dat voorkomen. De Ontwikkelingsschets 2010 legde een combinatie van maatregelen vast, zoals het herinrichten en uitbreiden van het gebied met zo’n 120 hectare natuur. Een belangrijke ecologische en landschappelijke ingreep.

Na jarenlange voorbereidingen en dankzij de gezamenlijke inspanningen van Vlaamse en Nederlandse partners kunnen de werken tussen 2015 en 2016 van start gaan. Het einde van de werken is gepland voor 2019. Dan zal het Zwin er helemaal anders uitzien.