Waterbalansmodel legt waterbeschikbaarheid Scheldestroomgebied bloot

“Extreme droogte bedreigt landbouw”, kopten kranten aan het eind van de zomer van 2015. Nog geen jaar later, in juni 2016, liet extreme regenval hele waterlopen buiten hun oevers treden. Wetenschappers bevestigen dat die contrasten meer en meer de kop opsteken. In dichtbevolkte regio’s als Vlaanderen en Nederland levert disbalans in de waterbeschikbaarheid problemen op. Daarom onderzoekt Vlaams waterwegbeheerder Waterwegen en Zeekanaal NV (W&Z) de waterbalans in het Scheldestroomgebied met een kwantitatief model.

Elke beleidsperiode stelt de Vlaamse Regering een waterbeleidsnota op. In de tweede waterbeleidsnota, voor de periode 2014-2019, zijn vijf waterbeheerkwesties geformuleerd: factoren waardoor Vlaamse wateren het risico lopen ondermaats te scoren. Een van die risicofactoren is wateroverlast en -tekort. Overstromingen of periodes van extreme droogte tonen aan dat ons watersysteem niet altijd in balans is. Zeker in Vlaanderen is de beschikbare ruimte voor water beperkt. Dat komt door de hoge bevolkingsdichtheid, de in hoge mate versteende openbare ruimte en de toegenomen hoeveelheid sediment in onze waterlopen. Resultaat: het water dringt minder gemakkelijk in de bodem en rivieren treden sneller buiten hun oevers. Die zaken wil Vlaanderen aanpakken door water ruimte te geven, de schade van wateroverlast en -tekorten te minimaliseren en de sediment- en waterbodemtoestand aan te pakken.

Annick De Winter, beleidsmedewerker bij W&Z: “Om die ambitie waar te maken, is er eerst inzicht nodig in de waterbalansen. Het kwantificeren van wateroverlast en -tekort wordt ook aanbevolen door Europa. Tussen 2009 en 2012 stelde het Waterbouwkundig Laboratorium van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken een eerste waterbalansmodel van het Scheldestroombekken op. De onderzoekers ontwikkelden een modelinstrumentarium, analyseerden de waterbeschikbaarheid en kenden water toe aan de verschillende watergebruikers in het gebied. Ze hielden daarbij rekening met het grootste deel van het watergebruik en het wateraanbod van de bevaarbare rivieren en kanalen in het gebied.”

Waterbalansmodel 2.0

Er bestaat dus al een waterbalansmodel. Toch werkt W&Z sinds 2013 aan een tweede studie. Daarmee wil het de waterbeschikbaarheid in Vlaanderen vandaag én in de toekomst bestuderen en analyseren. Annick De Winter: “Al tijdens de uitvoering van de eerste studie kwam aan het licht dat er verbeteringen mogelijk waren. Zo moest het watergebruik langs onbevaarbare waterlopen worden toegevoegd aan het model en was de invloed van het grondwater op het oppervlaktewater nog onvoldoende bestudeerd. Daarnaast moest het model in de regio Noord-Frankrijk worden verbeterd en ontbrak er een hydrologisch model voor het Maasbekken. Bovendien was er onvoldoende aandacht voor de effecten van de klimaatverandering. Die verbeteringen implementeren we stuk voor stuk in ons tweede waterbalansmodel. Bovendien kunnen we met het nieuwe model beter inspelen op de risicofactoren die de Vlaamse Regering beschrijft in haar tweede waterbeleidsnota.”

 

“Met het nieuwe model kunnen we beter inspelen op de risicofactoren uit de tweede waterbeleidsnota.”

Annick De Winter, Waterwegen en Zeekanaal NV

 

“Het waterbalansmodel is een kwantitatieve studie”, vertelt Annick De Winter. “Toch voeren we geen nieuwe metingen uit voor de ontwikkeling van het modelinstrumentarium. We maken zoveel mogelijk gebruik van bestaande metingen. Afvoerdebieten en de hoeveelheid water die wordt opgevangen en geloosd worden immers al opgevolgd. Die informatie integreren we in ons model. Omdat we niet enkel het Schelde-estuarium bekijken, maar de waterbeschikbaarheid in heel Vlaanderen onderzoeken, hebben we informatie nodig over het hele stroomgebied van de Schelde. Daarom werken we nauw samen met de bevoegde instanties in Wallonië, Noord-Frankrijk en Nederland.”

Minimale tekorten

Het waterbalansmodel wordt in de loop van dit jaar opgeleverd. “Op dit moment zijn nog niet alle elementen voldoende bestudeerd om conclusies te trekken. Zo is het nog tot midden dit jaar wachten op de resultaten over het effect van de klimaatverandering”, zegt De Winter. “Maar we hebben wel al zicht op enkele voorlopige resultaten. Daaruit blijkt dat de waterbehoefte van zo goed als alle gebruikers vervuld wordt. Toch stellen we langs enkele waterlopen tekorten vast. In de meeste gevallen blijven die beperkt tot een aantal dagen voor een periode niet langer dan een maand. Maar ze duiken wel op in gebieden die een belangrijke economische rol vervullen. Bijvoorbeeld aan de IJzer, waar het oppervlaktewater gebruikt wordt om drinkwater te produceren. De neerslag zorgt er voor hoge debieten, maar tijdens droge periodes wordt er weinig water afgevoerd. Het resultaat is te weinig oppervlaktewater of oppervlaktewater dat kwalitatief minder goed gebruikt kan worden voor de productie van drinkwater.”

Uit de voorlopige resultaten blijkt dat het modelinstrumentarium er goed in slaagt de huidige situatie te simuleren. “Natuurlijk is sommige invoerinformatie onzeker en zijn metingen, zeker bij lage afvoeren, niet altijd even betrouwbaar. Maar het model bewijst zich nu al als een krachtige tool, die ook goed van pas komt voor onze partners. De projectgroep Zoetwaterbeheer van de VNSC is een van de geïnteresseerden. Zij werken volop aan een systeemanalyse van het Schelde-estuarium. Daarmee willen ze alle relevante informatie over de balans van zoet en zout water samenbrengen. Daar vallen niet alleen de resultaten van afgewerkte en lopende onderzoeksprojecten onder, maar ook monitoringgegevens, informatie over hydrologische en ecologische processen en juridische informatie. De informatie uit het waterbalansmodel levert waardevolle input om die systeemanalyse succesvol uit te voeren.”

Terug