Terugblik kennissessie over onderzoek naar zoetwaterdebiet en klimaatgevoeligheid van de Schelde

Op donderdag 14 mei deelde de werkgroep ‘Onderzoek en Monitoring’ weer een aantal actuele onderzoeksresultaten. Tijdens een online kennisdelingsbijeenkomst werden ongeveer dertig aanwezigen bijgepraat over de ontwikkelingen rond het zoetwaterdebiet in de Boven-Zeeschelde en de klimaatbestendigheid van het estuarium. We maakten een kort verslag van de inhoud en in de chat gestelde vragen.

 clam-2610321-1920

Wat heeft de natuur in de Boven-Zeeschelde minimaal nodig van het scheldewater?

Tom Maris (Universiteit Antwerpen) neemt de deelnemers mee in het belang van het zoetwaterdebiet voor het ecosysteem van de Schelde. Daarbij legt hij uit dat de algengroei van groot belang is voor verbetering van het ecosysteem, en dat een minimaal zoetwaterdebiet nodig is om die algengroei in stand te houden. Algen produceren immers zuurstof en zijn een belangrijke voedingsbron voor bijvoorbeeld vis en plankton. Zij vormen de basis van de voedselketen in de Schelde. Voor algenbloei mag het debiet niet te hoog zijn, anders spoelen ze uit, maar ook zeker niet te laag. Bij te lage debieten is er te weinig aanvoer van het nuttige element silicium, waardoor de gewenste kiezelwieren worden verdrukt door de ongewenste groenalgen. Bij te lage debieten wordt het water ook te troebel voor algenbloei.

Dit onderzoek bracht een advies voor een onder- en bovengrens voor het zoetwaterdebiet wat de Schelde nodig heeft, naar voren. Om dit te realiseren is het nodig om de debietverdeling nog eens te bekijken vanuit het oogpunt van alle gebruikers, zoals de scheepvaart, landbouw en ecologie. Tom besluit met een pluim voor de samenwerking en aanpak bij de recente lek van bietenpulp in het Franse deel van de Schelde. Dat is een mooi voorbeeld van hoe een waterverdelingsvraagstuk kan worden aangepakt.

Vraag en antwoord aan Tom Maris

Een greep uit de gestelde vragen met antwoorden van de onderzoekers:

  • Q: Het maandelijks minimum debiet werd in 2000-2019 in 30% van de tijd niet gehaald. Hoe vaak werd het zesmaandelijkse minimale debiet niet gehaald?

    Tom: Het werd verschillende keren niet gehaald, en het is zeker zo dat het gemiddelde in die periode effectief ook onder het minimum zat. Dat gaat vooral over droge zomers als 2003, 2004, 2011, 2017, 2018, 2019.

  • Q: De landbouw zal in de toekomst meer water nodig hebben, juist in de droge perioden. Zijn er plannen om de waterretentie in de bovenloop te verbeteren?

    Tom: In het verleden werd water versneld afgevoerd om wateroverlast te vermijden. Maar snel afvoeren van water zorgt dat in droge perioden water óók versneld werd afgevoerd en dat er in het bekken veel minder buffercapaciteit is. Dat maakt dat we in de zomer een watertekort hebben, en op momenten van veel water afwaarts veel sneller overlast hebben. Vandaar het pleidooi om zoveel mogelijk buffering te voorzien in bufferbekkens, door meandering, het aanleggen van bufferstroken. Zo houden we water langer op en voeren we water vertraagd af. Dat is goed voor een te hoog debiet bij pieken, én goed tegen een te laag debiet bij droogte.

  • Q: Waar komt de grote hoeveelheid zwevende stof rond 2008-2009 vandaan? Is dat een gevolg van landgebruik?

    Tom: Nee; al decennia lang treden er een grote veranderingen op in landgebruik, maar er is geen plotse verandering rond 2008/2009. De veranderingen rond 2009 hebben te maken met de veranderende morfologie (baggeren, verdiepen, aanleg van dokken). Er zijn toen veel zaken gelijktijdig veranderd, dus de precieze belangrijkste oorzaak aanwijzen is lastig. Daar wordt volop onderzoek naar gedaan.
  • Q: Je stipte aan dat dit een bijzondere situatie is, een vrij klein debiet in de Schelde. Heb je de vergelijking ook gemaakt met andere estuaria? En heeft dat ook jullie aanbevelingen nog mogelijk veranderd?

    Tom: Voor deze studie specifiek niet, maar in eerdere projecten wel. Daar kwam heel duidelijk naar voren dat Schelde een buitenbeentje is met het zeer lage debiet. De Elbe heeft een debiet van honderden m3/s zoetwater, wat maakt dat de verblijftijd in het zoetwatergetijdegebied in de Elbe vaak korter wordt. Algen krijgen minder tijd hebben om tot bloei te komen. In de Zeeschelde hebben algen juist heel veel tijd in vergelijking met andere estuaria. Daardoor zie je hele hoge algenconcentraties, en veel voedselproductie voor het onderhouden van de lokaal geproduceerde biomassa. Dat is heel mooi. De Seine heeft dat bijvoorbeeld ook niet, daar ligt het debiet ook veel hoger. Wel bestaat in de Schelde het gevaar dat het debiet té laag wordt, met alle gevolgen van dien.

Hoe klimaatbestendig is en wordt het Schelde-estuarium?

Gunther van Ryckegem (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) geeft een inkijkje in het Klimaatadaptatieplan voor de estuariene natuur in de Zeeschelde. Er zijn analyses gedaan van de impact die klimaatverandering kan hebben op verschillende delen van het Schelde-estuarium. Door veranderingen in temperatuur, zeespiegel en neerslagpatronen zal bijvoorbeeld de bodemdiermassa veranderen en verschuiven. Met alle gevolgen van dien voor vogels, vissen, garnalen en meer.

Een klimaatgevoeligheidsanalyse van de Zeeschelde laat zien dat de smalle Boven-Zeeschelde kwetsbaar is voor klimaatverandering omdat het erosierisico onder andere hoger is. De Beneden-Zeeschelde is juist gevoeliger voor klimaatsverandering omdat vooral de habitatdegradatie hoog is. Het gebied tussen de Rupel- en Durmemonding lijkt juist in veel gevallen robuust. Daarop deelt Gunther een grote set aan maatregelen die variëren van ingrijpend tot slechts in stand houden en diversifiëren. Dat biedt perspectief voor maatwerk.

Vraag en antwoord aan Gunther van Ryckegem

Een greep uit de gestelde vragen, met de antwoorden van de onderzoeker:

  • Q: Wat is nodig voor een vergelijkbare aanvullende studie naar het gehele estuarium, dus inclusief Westerschelde? Schat je dat dat haalbaar is?

    Gunther: Ik denk dat dat zeker haalbaar is, maar dat hangt wel af van de beschikbare data. De informatie die in deze studie gebruikt is voor het maken en invullen van dat klimaatgevoeligheidsschema leunt voor een belangrijk deel op data die in andere projecten verzameld is. Voor toekomstige studie kunnen we informatie uit ecotopenkaarten, de bathymetrie, stroomsnelheidskaarten, golfkaarten bundelen. Maar dat is nog wel een klus om te verwerken.

  • Q: Schuurt jouws inziens adaptatie van natuur met de “instandhouding” van natuur? En zo ja, in welke mate?

    Gunther: Dat is geen eenvoudige vraag. Een aspect dat zeker meespeelt: bepaalde soorten zullen gaan verdwijnen in de toekomst. Zij kunnen zich niet voldoende aanpassen binnen bepaald gebied omdat dat geografisch te beperkt is. Daarom zullen sommige soorten zich verplaatsen. Veel soorten kunnen blijven als het gebied hen de ruimte biedt om zich te verplaatsen naar een plek met de gradiënt die voor hen prettig is. Dat verschilt van soort tot soort en per gebied. De natuur zal dus ook veranderen op langere termijn – dit ‘schuurt’ met de strikte kaders die de doelstellingen afbakenen voor de instandhouding van onze natuur. Dit is een aandachtspunt om meer rekening mee te houden voor toekomstige natuurbeschermingskaders.

  • Q: Hoe kijk je aan tegen veerkracht in absolute zin van dit systeem, van de Boven-Zeeschelde?

    Gunther: Het systeem staat momenteel onder grote druk. Dit is een belangrijk punt voor verder onderzoek. Daarin zou ik een referentietoestand (de meest gunstige toestand van het systeem) afbakenen om dan te onderzoeken waar de zones nu staan ten opzichte van deze gunstige situatie. Ik denk dat heel wat zones zich ver van de gunstige situatie zullen bevinden.

  • Q: Er zijn de afgelopen decennia grote veranderingen geweest in hydrodynamica in de Schelde als gevolg van veranderende morfologie. Kan een studie naar de impact van die veranderingen ons meer leren over de potentiële impact van de klimaatverandering?

    Gunther: Er zijn modelleringen gaande die laten zien wat de toekomstige stroomsnelheid zal zijn bij verschillende klimaatscenario’s. Dat zal aantonen welke zones meer of minder belast worden in de toekomst. Dat zijn naar verwachting niet per se de zones die nu het meest belast worden. Dergelijke studie kan ons potentieel heel wat bijleren over de gevolgen van klimaatsverandering.

Kennisdelingssessies in 2020

In het najaar wordt er weer een kennisdelingssessie georganiseerd. Mogelijk dat we dan weer live bij elkaar kunnen komen. De exacte datum is op dit moment nog niet bekend, maar de uitnodiging voor deze bijeenkomst wordt enkele weken van te voren verstuurd.  Mocht je wensen hebben om een bepaald onderwerp op de agenda te zetten, laat het ons weten via communicatie@vnsc.eu.

Terug naar overzicht