De Zeeschelde, de Westerschelde en het mondingsgebied van de Schelde vormen samen het Schelde-estuarium. Een estuarium is een trechtervormige monding van een rivier waar het getij zich laat voelen. Typerend is de mengeling van zoet en zout water. Het Schelde-estuarium is een van de jongste en meest natuurlijke estuaria in West-Europa.

De invloed van de zwaartekracht van de maan (en in mindere mate van de zon en de andere planeten) op de ronddraaiende aarde veroorzaakt het getij. Het getij is een verticale beweging van het water, die zorgt voor een op- en neergaande waterstand. Samen met het getij treedt ook een horizontale beweging op: de getijdenstroom.

In de Scheldemonding bij Vlissingen bedraagt het verschil tussen hoog- en laagwater zo’n vier meter. Meer landinwaarts wordt het getijdenverschil groter. Hoe verder stroomopwaarts, hoe nauwer de rivierbedding en hoe meer het binnenstromende vloedwater wordt opgestuwd. Nabij Hamme, waar de Durme in de Schelde uitmondt, bereikt de rivier haar hoogste waterpeil. Daarna neemt de opstuwing van het water weer af. De sluizen in de omgeving van Gent blokken het getij volledig af en zorgen ervoor dat de rivier verder stroomopwaarts niet langer door de zee beïnvloed wordt.

De waterstand van de Schelde ondergaat ook de invloed van de weersomstandigheden. Bij een krachtige west- tot noordwesterstorm kan de waterstand door opwaaiing tot drie meter extra stijgen. Dan spreekt men van een stormvloed. In 1953 en 1976 veroorzaakten overstromingen als gevolg van een stormvloed catastrofes in het Schelde-estuarium.

Estuaria bestaan typisch uit slikken, platen, schorren, geulen en kreken. Van bovenuit ziet zo’n onaangetast landschap eruit als een breed vlechtwerk van geulen en armen. Dit unieke samenspel van water en land zorgt voor bijzondere natuur. Langs de Schelde vind je dan ook tal van natuurgebieden.